Het verhaal van Gael

Uit Hendrik van Beek Wiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Ga naar Het verhaal van Gael: Bibliotheek / English

Proloog

Gael ging het kleine huis binnen waar hij en zijn moeder woonde. Moe van de dag werk deed hij zijn leren handschoenen uit en waste zijn handen. Er klonk een stem vanuit een andere kamer.

‘Gael? Ben jij dat?’

Gael liep naar de kamer waar zijn oude moeder ziek in haar bed lag en ging naast haar zitten.

‘Hoe is het met je, moeder?’
‘Moe’, zei ze.
‘Meer van hetzelfde?’

Ze knikte

‘Meer moe dan gisteren, waarschijnlijk niet zo moet als dat ik morgen zal zijn’.
‘Hoe ver zijn jullie gekomen?’
‘Ik denk dat we morgen klaar zijn met de tarwe oogst. Al thans dat hoop ik.’

Gael’s moeder glimlachte. Ze wist maar al te goed dat Gael de tarwe oogst verschrikkelijk vond.

‘En hoe gaat het met de kruiden?’
‘Wilgskap doet het goed! En de Schilders Karamijn lijkt ook te overleveren.
‘Goedzo’, zei ze en ze staarde een tijdje naar het plafond. Gael bleef naast haar zitten.
‘Blijf je hier?’, vroeg ze.
‘Ik blijf bij je moeder’
‘Nee, ik bedoel als ik weg ben, blijf je dan op de boerderij?’
‘Natuurlijk blijf ik!’
‘Je zou weg kunnen gaan...’

Gael had nog niet echt nagedacht over de tijd na zijn moeders dood.

‘Ehm, ik zou in de lente weg kunnen gaan. Leanhan zou de kruiden een tijdje kunnen onderhouden’.
‘ Ik denk dat je weg zou moeten gaan’
‘Wat bedoel je?’
‘Je broer heeft Serah, en vind het hier geweldig. Jij wilde altijd al de boerderij verlaten’.

Jij moet hier niet wegkwijnen, net als ons. Ga de wereld zien!

‘Moeder…. Ik...’,
‘Beloofd me gat je gaat’
‘Dat kun je niet van me vragen’.
‘Dat kan ik en dat doe ik! Gael, er is een hele wereld op jou aan het wachten is’.

Gael bleef stil.

‘Alsjeblieft Gael...’
‘Oke...’
‘Oke wat?
‘oke ik beloof de boerderij te verlaten’
‘Goedzo.’,

Ze draaide zich om en sloot haar ogen. Gael stond op en verliet haar bed.v Hij dacht na waar hij naar toe zou gaan terwijl hij het huis verliet. Achter zich sloot hij de houten deur.

Het verhaal gaat kort verder in Het verhaal van Gael: Ik ben vissen

Hoofdstuk 1

Het is twee weken geleden sinds Gael de boerderij verlaten heeft. Nu zijn moeder gestorven was, gaat Gael zijn belofte aan haar nakomen. Vandaag zou hij op zijn bestemming aankomen: De universiteit van Challiste. Toen hij jonger was droomde hij ervan om aan de universiteit te studeren. Nu zal hij er voor het eerst langs gaan. De universiteit dienst als een centrum voor kennis. Deze kennis wordt verzameld in het hele keizerrijk. Een groot aantal verschillende disciplines werden er onderzocht. De universiteit was zo groot dat de stad waar hij in lag enorm moet zijn. Gael had gehoord hoe groot de stad was, toch viel zijn mond open toen de stad in zicht kwam. Muren met ronde torens reikte kilometers ver. De lange reis zou het helemaal waard zijn dacht Gael. Hoe dichter hij vanmorgen bij de stad kwam, hoe meer handelaren en andere reizigers ook via hem vergezelde op de weg. Met bijna kinderlijke anticipatie volgde Gael de stroom van mensen door de enorme poort. De invloed van de Universiteit was duidelijk te zien. Gebouwen met meerdere verdiepingen en kleding gemaakt van zorgvuldig geweven stof. Dit gaf Gael heel even een ongemakkelijk gevoel, alsof hij hier niet hoorde. Dit gevoel verliet hem als een zee van stemmen hem overspoelde. Hij was het marktplein opgelopen dat gevuld was met mensen en marktkramen. In het midden van het drukke plein stond een hoge zwarte wegwijzer, met gele letters. Gael wist welke richting hij op moest, want hij had zijn reis goed gepland, maar toch betrapte hij zich zelf op naar adem hapje?! een toen hij op een van de bordjes zag: ‘Universiteit’.

Aan de weg naar de Universiteit zaten veel winkeljes. Ze verkochten notitieboeken, inkt en pennen. Gedurende zijn bezoek zou Gael zeker deze winkeltjes bezoeken, maar voor nu liep hij door. Aan het eind van de straat kwam er een grote metalen hek met een grote poort in zicht. De tralies van het hek waren donker groen geverfd en de poort op de stond met messing letters: ‘Universiteit van Challiste’. Gael stapte op de witte kiezels van het universiteits-terein en liet de drukke straat achter zich. Hij voelde zich opgewonden en geïntimideerd tegelijk. Het witte gravelpad leidde naar het hoofdgebouw. Het gebouw was ontworpen om de grootsheid van de universiteit uit te stralen. Hij was volledig gebouwd van bakstenen en had wel drie verdiepingen. Gael klom de trap op om het gebouw binnen te gaan.

Eenmaal binnen duurte het een tijdje voordat Gael georienteerd was. Verbonden aan deze ruimte waren meeredere gangen en trappen. Studenten en universiteits personeel kwamen en gingen hierdoor naar de verschillende departementen. Meeste van hen droegen gewaden. Hoewel zij verschillende stijlen van gewaar droegen waren er drie kleuren duidelijk zichtbaar. De meeste van hen droegen zwarte gewaden en sommige rood gekleurd. Op een balkon stond een man die het licht blauwe gewaad van een professor droeg. Onder dat balkon was er een hele muur van hoge balies. Boven één van de balies hing een bord met ‘Bezoekers’ waar een vrouw formulieren aan sorteren was. Gael liep er naartoe en het duurde even voordat zij hem opmerkte

'Is er iets in het bijzonder dat je zou willen zien?’, vroeg Suzet aan Gael terwjil ze door een gang van de universiteit liepen. Gael had gelijk een grote
‘Dus, is er iets speciaals dat je graag zou willen zien?’, vroeg Suzet aan Gael terwijl ze door een van de gangen van de universiteit liepen. Gael had meteen een grote grijns omdat hij zijn enthousiasme niet kon verbergen.
‘Ik zou graag de landbouwafdeling willen zien, als dat mogelijk is?’
'Natuurlijk! De agridept is het!' zei Suzet. Suzet was een slanke vrouw. Haar gladde blonde haar zat in een strakke knot. Ze zag er een beetje streng uit, wat volgens Gael helemaal niet bij haar vriendelijke houding paste.
‘Waarom die interesse in landbouw als ik vragen mag? Ben je een boer?'
‘Ik heb mijn hele leven op een boerderij gewerkt, maar ik ben altijd geïnteresseerd geweest in onderzoek naar planten. Ik ben zelfs ingeschreven als student bij een dependance ervoor’.
‘O, is het niet gelukt?’.

Gael aarzelde even, maar vervolgde:

'Ik heb me ingeschreven voor Dorringer.'

Suzet viel stil. Toen ze een jong meisje was, was er brand bij de dependance in Dorringer. De gebouwen gingen in vlammen op. Er waren zelfs nogal wat mensen omgekomen.

‘Was jij daar met het vuur?’, vroeg ze.

Gaël knikte.

‘Het was op mijn eerste dagen in Dorringer. Ik had de inschrijvingsdocumenten getekend, maar de voogdij was nog niet eens begonnen’.
‘O, dat is tragisch. Heb je de kans gekregen om weer te studeren?'

Het beantwoorden van die vraag deed Gael een beetje pijn. Het was een voorrecht om je in te schrijven. Hij had geen rijke familie en de aanschaf van de apparatuur kostte hen veel van hun spaargeld.

‘Omdat een flink deel van het personeel was overleden en alle literatuur en apparatuur was verbrand, besloot de universiteit de dependance niet opnieuw op te bouwen. Ik ging gewoon terug naar huis om op de boerderij te werken.’
'Het spijt me dat te horen.'

Het was moeilijk voor Gael om over Dorringer te praten. Hij had zijn droom zien branden. Thuiskomen was nog erger. Natuurlijk wist zijn familie dat de brand niet zijn schuld was, maar zijn vader en broer gaven hem stilletjes de schuld van zijn ambities. Zelfs voor zijn moeder was het moeilijk om haar teleurstelling te verbergen. Hij had jarenlang de last van het verlies gedragen. Maar hij kon er niet boos om worden. Het deed hem alleen een beetje verdriet. Gael zette de gedachten achter zich. Het was jaren geleden. Hij was nu hier, in Challiste, en hij zou zijn dagen hier niet laten verpesten.

‘Die inschrijvingsdocumenten moeten hier naar Challiste worden gestuurd. Dat doen ze altijd direct na de ondertekening.’ Suzet zei en voegde eraan toe: ‘Weet je wat? We halen je inschrijving onderweg op!’

Gael had Suzet nog maar net ontmoet. Ze was duidelijk een vrouw van actie. Wat hij leuk vond, maar hij wist niet of hij het document wel wilde hebben. Gael besloot het niet meer ter sprake te brengen terwijl ze door de gangen liepen.

Gael werd geconfronteerd met een zware geur van grond toen ze de grote hal van de landbouwafdeling binnenkwamen. De afdeling had een paar verschillende ruimtes, maar direct verbonden met de grote hal was de gigantische kas. Hij liep naar de ingang van de kas en keek over rijen en rijen plantenbakken vol met allerlei soorten planten. Deze plantenbakken waren gescheiden door brede paden, van waaruit studenten en onderzoekers de planten bestudeerden. Ze onderzochten de planten met delicaat gereedschap. Gael voelde zich meteen thuis. Dit herinnerde hem eraan hoe hij en zijn moeder aan de kruidentuin zouden werken. Ze brengen ontelbare uren door in de bossen op zoek naar planten. Ze kregen soms vreemde blikken van andere dorpelingen. Maar hij vond het niet erg, ze begrepen de waarde niet van het werk dat hij en zijn moeder deden. Die mensen wel, dacht hij terwijl hij naar de mensen in de kas keek. Suzet die Gael van een afstand volgde, kwam naast hem staan.

‘Wat denk je?’, vroeg ze.
'Het- het is geweldig. Het is iets moois om deze mensen aan het werk te zien!', zei Gael terwijl hij worstelde om de juiste woorden te vinden.

Suzet vroeg Gael haar te volgen. Ze leidde Gael naar het balkon met uitzicht op de grote hal van de landbouwafdeling. Achter een toonbank zat een stevige vrouw met een ernstige uitdrukking. Gael raadde waar dit over ging en begon:

‘Over die documenten. Ik weet niet echt of ik ze wil. Het is allemaal verleden tijd, misschien is het beter om het daarbij te laten.'
‘Ja, hoor, luister naar me. Ik dacht dat als we dit document hebben, we misschien met wat mensen kunnen praten en dat je misschien een tijdje stage kunt lopen. Ik zie dat je het hier naar je zin hebt’.

Gael kreeg een sprankje enthousiasme. Werk hier? Alles ontdekken wat deze afdeling te bieden heeft en een tijdje aan de universiteit blijven, zou een droom zijn. Gael zag zichzelf al door de gangen van de universiteit lopen. Maar Gael had in zijn vele moeilijke jaren geleerd zijn hoop niet te snel te koesteren. Suzet liep naar de vrouw toe.

‘Estelle, we zijn hier voor de inschrijving van deze man. Kun je de naam Gael zoeken in de laatste inschrijvingen van Dorringer. Kun je die documenten voor me halen?'

Estelle keek een beetje in de war door Suzets verzoek en verliet de toonbank. Suzet draaide zich echter heel tevreden om. Glimlachend ontmoette ze Gaels twijfelachtige blik, die hem verraadde.

‘Hoe graag ik hier ook langer zou blijven, ik kan het me niet veroorloven om hier een paar dagen te blijven voordat ik naar huis moet. Tenminste, als ze de documenten al vindt.'
‘Misschien kunnen we iets regelen’, zei Suzet, die weigerde Gaels pessimisme toe te geven. Hoewel ze wist dat er problemen konden zijn. Ze voegde er aarzelend aan toe:
‘Als we je inschrijvingsgeld bewezen krijgen, kunnen we proberen het terug te krijgen, ook al is het maar gedeeltelijk’. Gael was niet overtuigd, maar bewonderde de moeite die Suzet bereid was te gaan voor een volslagen vreemde.
‘Het is wel heel aardig van je dat je me helpt’, zei Gael, ‘bedankt dat je dit doet’.
‘Het is wel het minste wat ik kon doen’.

Ze leunden allebei op de balustrade die uitkeek op de grote hal. Of hij nu ingeschreven was of niet, hij zou een kamer huren in de stad en een paar dagen de tijd hebben om de universiteit verder te verkennen, maar zou uiteindelijk naar huis terugkeren. Terwijl hij hier op deze vreemde plek stond, gaven de gedachten aan thuis hem een ​​veilig gevoel. Hij zag enkele studenten lezen en praten op de begane grond. Dit was een magische plek, en Gael besloot dat het het beste was om het zo te houden door hier niet te lang te blijven. Het duurde even voordat Estelle terugkwam. Ze sloeg een stapel papieren op haar aanrecht:

'Oke. Ik deed wat ik kon. Omdat de documenten vrij oud zijn. Ik heb alle inschrijvingsformulieren ingevuld en heb zijn inschrijving en bewijs van inschrijving hier. Ze checken uit, dus je hoeft dit formulier alleen hier te ondertekenen.’ Ze pakte een formulier van de stapel en gaf het aan Suzet.
‘En je hebt goedkeuring nodig van het departementshoofd, professor de Brún. Maar dan zou alles in orde moeten zijn en zou je inschrijving als student compleet zijn', zei Estelle terwijl ze met haar handen in haar zij trots over het werk keek dat ze had gedaan. Tot haar verbazing kreeg ze niet de dankbaarheid die ze had verwacht. Gael en Suzet keken Estelle ongelovig aan. Ze vervolgde, maar nu licht geïrriteerd:
‘Professor de Brún is vandaag op zijn kantoor en ik zou een afspraak voor je kunnen maken, maar je zult moeten wachten tot hij beschikbaar is’.

Gaels hoofd tollen. Zou hij nog ingeschreven kunnen worden? Als student? Drie uur geleden had hij de universiteit nog nooit gezien, nu kreeg hij de kans om daar te studeren. Hij pakte een van de papieren van de stapel. Het was zijn inschrijvingsdocument. Dit was het document dat hij zesentwintig jaar geleden ondertekende. Hij zag zijn handschrift op het vergeelde papier. Dit was de droom van een jonge versie van hem. Hij zou er alles aan hebben gedaan om weer zo'n kans te krijgen. Hij ontmoette Suzets blik die hem verwachtingsvol aankeek. Gael had het gevoel dat hij het aan zichzelf verplicht was dit te doen, deze kans met beide handen aan te grijpen. Hij wendde zich tot de Estelle:

‘Wanneer heeft professor de Brún tijd voor mij?’

Hoofdstuk 2

Gael zat in de grote zaal van de landbouwafdeling. Hij wachtte op zijn afspraak met het afdelingshoofd, professor De Brún. Suzet had hem verlaten om haar universitaire taken voort te zetten. Ze was zo blij voor hem. Gael dacht dat dit waarschijnlijk niet was hoe ze had verwacht dat haar ochtend zou verlopen. In de grote zaal kwam de landbouwafdeling bijeen voor de lunch. Veel van hen droegen vuile werkmanskleren, maar sommigen droegen hun officiële uniformen. hierdoor kon Gael hun positie herkennen. Studenten droegen terug, onderzoekers rode en professoren felblauwe gewaden. Het leek alsof ze het goed met elkaar konden vinden. Gael wist dat niet alle afdelingen zo waren. Hij glimlachte toen hij zich voorstelde dat hij tussen hen in stond. Toen zag hij Estelle. Ze liep door de grote zaal en keek om zich heen. Gael wist dat ze naar hem op zoek was. Tot hilariteit van Gael zag hij haar irritatie toenemen omdat ze hem niet kon vinden. Hij besloot op te staan ​​en te zwaaien waardoor ze hem eindelijk opmerkte.

‘Rector de Brún zal je nu zien’, zei ze.

Directeur Nils de Brún zat aan zijn bureau en keek naar het voorstel dat hij zojuist kreeg. Hij leunde met zijn hoofd op zijn hand. Het was een verzoek om de ontwikkeling van een plant die ‘de wereld zou veranderen’. Hij wist dat hij het aanbod zou afslaan, maar hij dacht na over de reden. Hij had respect voor de professoren, maar ze waren allemaal zo overtuigd van de absolute noodzaak van hun eigen onderzoek. Hij sloot de leren omslag van de voorsteldocumenten. Zijn gedachten dwaalden af naar zijn volgende afspraak. Het zou een beetje eigenaardig zijn. Het was een inschrijving van een plattelandsman uit Eswik, een klein dorpje ten zuiden van Challiste. De documenten die Estelle had opgegraven waren meer dan twintig jaar oud. Hij wist niet eens zeker of inschrijven met dergelijke documenten wel was toegestaan. Nils wist niet hoe hij de zaak moest aanpakken. Toch wilde deze man zelfs op hoge leeftijd studeren. Dat was iets waar Nils respect voor had, dus hij was nieuwsgierig om Gael te ontmoeten.

Toen de deur openging, stond meneer The Brún met uitgestrekte hand op van zijn bureau. Meneer de Brún was geen lange man, hij was glad geschoren maar had warrig donkergrijs haar. Hij had een verweerd gezicht waaruit bleek dat hij veel buiten op het land had gewerkt. Zijn kantoor was klein en vol ladekasten. Op zijn bureau zag Gael de ondertekende inschrijvingsdocumenten liggen.

‘Welkom meneer Linnwik. Ik begrijp dat dit je eerste bezoek aan de universiteit is? Wat denk je?
‘Het is geweldig!’, zei Gael terwijl de twee mannen elkaar de hand schudden en gingen zitten. ‘Vooral de kas.’
‘Het is toch een wonder? Het zorgt voor een revolutie in de teelt van bepaalde planten die hier niet tegen het weer kunnen. Het beste project waarvoor ik de overeenkomst heb getekend,’ zei Nils glimlachend, achterover leunend in zijn stoel. ‘Dus, waarom wil je je inschrijven?
'Nou, ik heb op een boerderij gewoond, dus ik heb mijn hele leven met planten gewerkt', zei Gael en vervolgde: 'Mijn moeder en ik gingen op zoek naar wilde kruiden en probeerden ze te domesticeren en thuis te kweken. Ik geloof graag dat we er behoorlijk goed in zijn geworden, maar ik heb altijd mijn kennis willen uitbreiden. Ik denk dat we veel meer toepassingen of manieren om planten te kweken zouden kunnen ontdekken als we gewoon meer onderzoek zouden doen en bijgeloof en oude manieren van denken achter ons zouden laten. Daarom schreef ik me al die jaren geleden in bij Dorringer.’
‘Ja, daarover. Er zijn wat problemen met deze inschrijving en om maar meteen met de deur in huis te vallen, ik kan je niet inschrijven om hier te studeren. Ten eerste is er, naast de ouderdom van de documenten, het probleem van de betaling. Aan de universiteit zelf betaal je inschrijfgeld. Nu kan ik je natuurlijk inschrijven als je de vergoeding zou kunnen betalen. Maar dan moet je wel zo'n geld hebben.'

Nils wierp een blik op Gael van de documenten, die zweeg.

'Ten tweede Gael', Nils liet zijn papieren vallen en vouwde zijn handen, 'ik wil je vragen om er goed over na te denken of je dit echt wilt. Deze universiteit is een veeleisende omgeving in een vreemde stad. Er zijn onderzoekers en hoogleraren jonger dan jij die met pensioen zijn.’

Gael leunde achterover in zijn stoel en plukte aan zijn baard. Dit was waar hij voor vreesde.

Hij schudde die gedachten van zich af, daar was hij niet voor gekomen.

‘Ik wil heel graag studeren. Kan ik niet studeren en werken voor de rest van de betaling?
‘Ik zou er niet mee instemmen, ook al was je half zo oud. Maar ik begrijp je wens. Ik zou je ook kunnen aanmelden voor een stage.', zei professor De Brún terwijl hij de inschrijvingsdocumenten sloot en eraan toevoegde: 'Wie weet waar het toe kan leiden?'.

Een stage zou geweldig zijn, zoals Suzet had gezegd. Maar nu hij zo dichtbij was, wilde Gael niet graag genoegen nemen met minder en vroeg stoutmoedig:

‘Ik heb mijn hele leven onderzoek gedaan, telt dat niet ergens voor?’.
‘Alsof we het behandelen als het inhuren van een externe deskundige? Die huren we in als we zaken hebben die we zelf niet kunnen oplossen of als hun kennis een aanvulling is voor de universiteit. Heb je gepubliceerd werk? Dat moeten we hier laten valideren door een professor.'

Gael de gedachte dat een universiteitsprofessor zijn onsamenhangende krabbels zou nakijken die hij thuis had geschreven, deed Gael besluiten dat dit misschien niet zo'n goed idee was.

Maak ervan dat hij geen research heeft. Dat hij geen opties meer heeft. Een andere oplossing zoekt omdat hij zijn kennis wilt laten zien: De casussen.

Maak ervan dat hij geen research heeft. Dat hij geen opties meer heeft. Een andere oplossing zoekt omdat hij zijn kennis wilt laten zien: De casussen.

Gael had het gevoel alsof hij geen opties meer had. De zaken. Gael dacht dat het een soort onderzoeksopdracht was.

'En is het niet mogelijk dat ik mijn waarde bewijs door een van deze gevallen te doen'?
‘Ik heb er maar een paar, ik denk niet dat ze passen bij jouw kennis’, zei professor de Brún.
'Maar als je dat zou doen, zou dat dan iets zijn dat je van gedachten zou doen veranderen?'

Professor de Brún zweeg even en staarde Gael aan. Gael wist dat hij opdringerig was, maar hij was nog niet klaar om los te laten. Toen stond professor de Brún op en pakte een paar dossiers uit een la.

‘Laten we eens kijken’, zei de professor terwijl hij de dossiers doorzocht. Smeden smeden, dit voor een expert in parasieten. ’

Toen bleef de professor een tijdje naar één dossier kijken en keek toen naar Gael.

‘Heb je iets gevonden?’, vroeg Gael voorzichtig.

Nils antwoordde niet. Hij ging zitten en las de titel op de leren band:

‘De Kleine Hindenblauw. Het is een oude zaak die al een tijdje geleden verwijderd had moeten worden’.

De familie van de plant, de bekende kleine hindenwhite, groeit hier ten westen van. Ze bloeien maar één keer per jaar, 's nachts, zogenaamd alleen als de volle maan vol is. Men geloofde dat de zeldzame kleine hindenblauw vreemde eigenschappen had die geen van zijn familie heeft. Dus het verhaal gaat dat het zo vaak is geplukt dat het is uitgestorven. Deze zaak gaat over eropuit gaan en het vinden. We hebben klerken laten zoeken zonder resultaat, en geen enkele professor vond het belangrijk genoeg. Gael verstijfde omdat hij niet dacht dat hij de universiteit zou moeten verlaten als hij een van deze zaken zou doen. Voordat Gael iets kon zeggen, vervolgde professor de Brún:

'Nu: ik begrijp heel goed dat dit geval je zou kunnen passen, en ik betwijfel of een bloem kan worden geplukt tot uitsterven, maar de bloem is nooit meer gezien. Dan is er nog het feit dat hij maar één keer per jaar bloeit en de rest van het jaar niet van zijn familie te onderscheiden is. En als klap op de vuurpijl is deze bloem gelinkt aan bijgeloof.’

Professor de Brún zuchtte.

'Ik vraag mezelf af of ik je niet op een wilde ganzenjacht stuur achter een niet-bestaande bloem, alleen maar om je mijn kantoor te laten verlaten.'

Toen pakte Nils een document uit het dossier en legde het voor Gael. ‘Met mijn zorgen geuit: als u dit tekent, regelt Estelle een slaapgelegenheid voor u en een kleine vergoeding voor de reis. De bloem zou de voorlaatste volle maan bloeien, dat is over ongeveer veertien dagen. Wat een veeleisend tijdschema is, maar beheersbaar moet zijn, u zult over een paar dagen moeten vertrekken. De rest van de details staan ​​hier'. Hij overhandigde Gael het dossier. Gael bang maken naar vreemde plaatsen op zoek naar deze bloem. Maar op de een of andere manier zorgde het idee van het avontuur ervoor dat zijn angst het verloor in zijn groeiend enthousiasme. Door pech had hij zijn hele leven de boerderij niet kunnen verlaten. Zijn geluk leek te zijn gekeerd. Hij had zijn belofte aan zijn moeder gehouden en verliet de boerderij. Die belofte nam hij waar om naar de universiteit te gaan waar hij altijd al had willen studeren, en nu kreeg hij die kans.

‘Als je de zaak oplost, kun je jezelf als ingeschreven beschouwen’, zei Nils.

Gaël ondertekend.

HELAAS IS DIT VERHAAL NOG NIET VOLLEDIG VERTAALD.


Terug naar Encyclopedie / English