Kruipruimte

Uit Hendrik van Beek Wiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Vanaf de Kremweg 23 loopt er een onverhard pad omhoog naar het blauwe huis. De nieuwe bewoners zitten pas net in. De kozijnen moeten overnieuw geschilderd worden en de dakgoot hangt los. Het is een tikkeltje vervallen, maar zelfs middelmatig klusser moet hier van kunnen winnen. De tuin bestaat voornamelijk gras dat reikt tot kniehoogte en struiken die besloten hebben dat ze ook voor bomen door kunnen gaan. Ook is er een waslijn waar moeder de was ophangt. Grote witte lakens wapperen zacht in de zomerwind. Er is vooral rust, een lichtpuntje sinds de blackout noemen ze het zelf. Al wordt de rust verstoord door een spelende Sofie. Ze rent om het huis, gaat via de voordeur naar binnen en komt via de achterdeur weer naar buiten. Keer op keer komt ze langs. Keer op keer klinkt er een holle bonk als ze over de deurmat bij de voordeur rent. Dan ineens spring haar vader vanuit de keuken de hal in.

‘Boe!’, roept hij. Na een gil draait Sofie zich om en rent door de voordeur weer naar buiten. ‘Bonk’ klinkt het.
‘Ben je lekker aan het spelen Sofie?’
‘Ja!’, zegt ze, terwijl ze weer naar binnen springt. ‘Bonk’.
‘Goedzo!’
‘Papa’, vraagt ze, ‘Waarom maakt de deurmat een raar geluid?’
‘Oh onder de mat zit het luik naar de kruipruimte.’
‘Wat is dat? Een kruipruimte’, vraagt ze.
‘Dat is een ruimte onder het huis, die zo laag is dat je er alleen maar kunt kruipen.’, zei hij, ‘Papa hoopt dat hij daar niet hoeft te zijn. Het is daar heel donker en krap’.
Gefronst kijkt Sofie naar de deurmat waar een zich een luik onder zou bevinden. Dan rent ze langs haar vader naar de achterdeur en naar buiten om een nieuw spel te verzinnen.

Veel later, op een donkere winternamiddag, zit Sofie te spelen bij de achterdeur. Het huis is al flink opgeknapt maar het is nog niet af. Op dit moment zijn haar ouders in de woonkamer aan het schilderen. Bij de achterdeur zit Sofie niemand in de weg. Haar pop Teun is ziek en moet naar het ziekenhuis.

‘O dokter ik heb zo’n pijn aan mijn buik’, zegt ze als de pop bij de knuffeldokter is aangekomen.

Als ze met haar hand de zwarte tegels van de hal aanraakt voelen deze koud aan. Zelf zit ze met haar knieën op een wollen trui van haar vader. Dan klinkt er jammerlijke kreun, te zacht om uit de woonkamer te komen. Sofie zit stil en luistert. Ze schud een keer met haar knuffels en rijd met het autootje over de tegels, maar niets lijkt het geluid te maken. Dan klinkt het weer. Eerst zacht, maar dán harder. Sofie grijpt haar knuffel van de tegels en staat verschrikt op. Met een klein holletje rent ze naar de woonkamer. Haar vader staat op een stijger het plafond te verven en haar moeder staat in een verfblok te roeren.

‘Hee kom je kijken hoe papa en mama hard aan het werk zijn?’, zegt haar moeder. Sofie blijft op een afstandje staan.
‘Er huilt iets achter in de hal’, zegt Sofie. Haar ouders kijken elkaar aan terwijl Sofie wacht tot er iemand in beweging komt. Vader blijft met de roller boven zijn hooft staan dus moeder legt de roerstok weg. Ze steekt haar hand uit.
‘Kom’, zegt moeder en Sofie pakt haar hand vast.

Hand in hand staan ze achter in de hal te luisteren en horen niets.

‘Was het niet de wind?’, vraagt moeder. Sofie kijkt haar moeder vragend aan.
‘De wind kan ook huilen’, zegt moeder, ‘Kijk maar...’

Moeder stapt naar voren en draait de achter deur van het slot. Sofie probeert op afstand te blijven maar durft de hand van haar moeder niet los te laten. Ze schrikt als de deur op een kier open gaat en de deur een huilend geluid maakt.

‘Zie je? Zegt moeder en de doet de deur weer dicht. Sofie knikt wantrouwend.

Die nacht kan Sofie niet slapen. Ze ligt alleen in haar donkere kamer en moet steeds denken aan het huilen achter in de hal. Ze ziet voor zich hoe een vrouw met een witte jurk zachtjes ligt te jammeren. Ze heeft haar moeder al naar bed horen gaan, maar als ze haar vader de trap op hoort lopen roept ze hem.

‘Papa! Ik kan niet slapen.’
‘Ben jij al die tijd nog wakker?’, zegt vader als hij Sofie’s kamer binnen komt.
‘Ja, ik durf niet te slapen’
‘Waarom niet?’, vraagt vader verbaast. Sofie twijfelt even, maar zegt dan:
‘Ik denk niet dat het de wind is die huilt. Volgens is er iemand in de kruipruimte. Een vrouw in een witte jurk.’
‘Nee joh! Dat kan helemaal niet!’, Zegt hij vlug, terwijl hij met moeite het beeld van de vrouw in de kruipruimte uit zijn hoofd zet.
‘Zal ik je is instoppen en dan gaan we het gewoon proberen.’

Ze schud haar hoofd. Vader kijkt haar aan en lijkt te denken.

‘Oke!’, Zegt hij en tilt Sofie uit bed. ‘Dan gaan we kijken!’ Onderweg de kamer uit pakt hij Sofie’s blauwe zaklamp uit een lade.

Sofie staat op veilige afstand te kijken hoe haar vader de deurmat opzij schuift. Er komt een smoezelig houten deksel tevoorschijn. Hij tilt het op en tot Sofie’s schrik steekt hij in een beweging zijn hoofd in het gat.

‘Ik zie niets hoor’ zegt hij als hij zijn hooft uit het gat haalt.
‘Kom!’ zegt hij en gebaard sofie ook te kijkjen.

Sofie loopt voorzichtig dichterbij. Ze ziet de donkere steken muren en de bodem van zand. Ze zakt met haar knieën op de koude tegels. Vader steekt zijn hoofd weer het gat in en kijkt om zich heen. Sofie buigt zich langzaam voorover en steekt haar hoofd ook in het donkere gat, naast haar vader. Ze ziet de leegte tussen de stenen muren de duisternis in strekken.

‘Helemaal niks’, zegt haar vader terwijl ze beide de leegte in kijken.

Dan steekt Sofie haar zaklamp langs haar hoofd het gat in. Door het scherpe licht ziet ze hard ze schaduwen en stoffige spinnenwebben aan de rand van de kruipruimte. Dan schijnt ze het licht achterin. Ze vangt een glimps op van witte lappen stof achter in de kruipruimte. Van schrik laat ze de zaklamp vallen, haalt haar hoofd uit het gat en gaat ze van het luik weg.

‘Wat doe je?’ vraagt haar vader terwijl hij zich verder voorover in de kruipruimte laat zakken om de lamp te pakken.
‘Papa daar ligt iets!’

Haar vader komt terug naar boven en kijkt met de zaklamp door het gat. Hij blijft stil terwijl hij naar het eind van de kruipruimte kijkt. Hij slaakt een zucht en komt dan overeind.

‘Maak je geen zorgen. Dat zijn gewoon oude gordijnen. Ter isolatie ofzo.’

Maar Sofie kijkt hem angstig aan.

‘Oké’, zegt hij en komt overheid. Hij tilt Sofie op.
‘Jij gaat naar bed en ik haal het daar weg.’

Hij draagt Sofie naar haar kamer en pakt onderweg zijn eigen zaklamp van een kastje.

‘Probeer wat te slapen, oké?’ zegt hij en stopt haar in.

Terwijl hij de kamer uitloopt test hij nog zijn eigen zaklamp. Sofie luistert hoe hij de trap af loopt. Dan draait ze zich om en sluit haar ogen. Ze probeert te gaan slapen zoals vader zei. Hij gaat het oplossen denkt ze. Dan beeld ze zich in dat hij door het zand naar achteren kruipt naar de witte stof. Gordijnen zei haar vader. Dan denkt ze aan het gejammer dat ze hoorde en ziet ze de vrouw in een witte jurk weer voor zich. Die gedachten geven haar rillingen van angst. Dan gooit ze haar deken opzij en pakt haar zaklamp. Ze heeft besloten dat ze wilt zien wat er achter in de kruipruimte lag en moedig gaat ze naar beneden.

Onder aan de trap ziet ze het gat van de kruipruimte weer. Maar nu schijnt er licht uit. Ze knielt weer voorzichtig aan de rand van het gat . Ze voelt de kou van de tegels weer in haar handen en knieën intrekken. Dan buigt ze langzaam voorover de kruipruimte weer in. Ze ziet haar vader niet in de kruipruimte. Zijn zaklamp ligt er nog wel. Vanaf halverwege schijnt deze naar de achtermuur van de kruipruimte. De lappen stof zijn weg. Opgelucht komt Sofie overeind. Dan hoort ze geschuifel achter in de hal. Verschrikt kijkt ze de hal in, maar ze ziet alleen de zwarte tegels de duisternis in reiken. Er klinkt nogmaals geschuifel. Langzaam richt ze haar zaklamp op het einde van de hal. Dan klikt ze hem aan. In een flits Sofie ziet een vrouw in een witte jurk over haar vader heen gebogen. Door het licht kijkt de vrouw op. Een gezicht met lijkbleke huid en holle ogen kijken haar aan. Dan klautert de vrouw razend snel over lichaam van vader heen en rent met open mond op de verstijfde Sofie af.

Na een hele dag van zoeken verlaten de laatste vrijwilligers het huis van Sofie’s moeder. Haar man en haar dochter zijn ineens verdwenen en ze zit radeloos thuis. Terwijl de tranen over haar wangen lopen, loopt ze de trap van het huis op. In plaats van haar eigen kamer, loopt ze de kamer van sofie in. Het zien van het lege bedje maakt haar nog droeviger dan ze als was. Ze gaat er in liggen terwijl haar hoofd afdwaalt aan gedachten van een eenzame sofie ergens daarbuiten in het donker. Ze hoopt dat Sofie nog thuis komt. Plots hoort ze gejammer van de beneden verdieping!

‘Sofie! SOFIE!’, roept ze terwijl ze de kamer uit snelt.

Ze rent de trap af en de hal in. Daar vind ze niet Sofie, enkel een lijkbleke vrouw holle ogen en een witte jurk.



Ga naar Verhalen / Ga naar Grijs: Encyclopedie / English